Open main menu menu-toggle

Een Potje Patience

Rosie Colthof, geboren op 16 november 1931

Nieuwe Prinsengracht 60 huis, Amsterdam

Rosie Colthof was acht jaar toen de oorlog uitbrak. Ze woonde met haar moeder en de zus van haar moeder, tante Gonda in een benedenhuis ‘Mijn moeder werkte op de linnenkamer van het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht. Het was haar taak de schone was te ordenen, en klaar te leggen in de juiste vakjes zodat het personeel niet mis zou grijpen.’
Roosje’s ouders waren gescheiden, met haar vader had ze nauwelijks contact. Toen zij vanaf 1 september 1941 niet langer naar haar eigen openbare school mocht, ging ze naar de Palacheschool, een orthodox joodse school om de hoek. Roosjes moeder was niet orthodox, haar vader en tante wel. Op de orthodoxe school ging Roosje zich meer interesseren voor het geloof.
Roosje speelde weinig met andere kinderen, ze speelde vooral met haar poppenhuis. ‘Ik had één niet-Joods vriendinnetje, Willy Klunder. Toen de Duitsers bepaalden dat niet-Joden geen contact meer mochten hebben met Joden, mocht ik van Willy’s vader niet meer hun huis binnen. Dat vond ik heel erg. Ik was niet bang, ook niet boos op de Duitsers maar wel op de familie Klunder.’

Nieuwe Keizersgracht, Amsterdam

Na een razzia in hun huis waarbij de bovenburen werden meegenomen werd het te gevaarlijk om langer thuis te blijven. Vanaf die avond bleven Roosje en haar moeder en tante dag en nacht in het ziekenhuis. Dat leek veiliger. Het was er druk. Heel veel getrouwd personeel was om dezelfde reden naar het ziekenhuis gekomen. Roosje speelde met de andere kinderen in de conversatiekamer van het zusterhuis. Daar brak roodvonk uit, ook Roosje werd opgenomen.
Op 13 augustus 1943 werd het Nederlands Israëlitisch Ziekenhuis leeggehaald. De Duitsers namen iedereen mee, behalve patienten die net geopereerd waren en de besmettelijke patienten. Toen Roosjes moeder afscheid kwam nemen, gaf ze haar een tasje met 25 gulden. ‘Ik heb nog geprobeerd mijn moeder aan te steken, want ik wist dat als je in Westerbork ziek zou worden je niet direct werd doorgestuurd naar Polen. Behalve het tasje en 25 gulden kreeg ik ook vijf briefkaarten – ik heb ze nooit gelezen, maar er stond waarschijnlijk op dat ik nog in het ziekenhuis lag. Een verpleegster die mocht blijven om voor de zieke kinderen te zorgen, heeft de kaarten gepost.’

Amsterdam, onbekend adres

De familie Van de Bunt haalde Roosje op. ‘Ik mocht niet bij de ramen komen en moest me verschuilen onder het bed. Ik denk dat ze zo bang waren omdat een van hun zonen zich bij de SS had aangesloten.’
Mevrouw Van de Bunt zei telkens: ‘Je moeder komt wel terug.’ Roosje geloofde haar, want zij hield haar voor waarzegster, omdat ze zoveel in de weer was met kaarten. ‘Later begreep ik dat ze eindeloos patience speelde.’

Plantage Middenlaan, Amsterdam

Roosje had heimwee en de familie Van de Bunt vond het beter haar naar haar moeder te sturen. ‘Ze brachten me naar de crèche, tegenover de Hollandsche Schouwburg. Het tasje met 25 gulden hielden ze.’

Omdat Roosje niet officieel werd ingeschreven bij de Hollandsche Schouwburg kon ze door het verzet uit de crèche worden gesmokkeld naar een onderduikadres.

Blerick

Na twee en een halve week kwam er iemand op haar af: ‘“Je moet zoveel mogelijk kleren over elkaar aan trekken,” zei ze “dan gaan we wandelen, en jij loopt in de achterste rij. Als we in de buurt van het station komen, ga jij steeds lanzamer lopen. Wij lopen door. Dan komen er mensen die jullie meenemen.”’
Roosje wordt met een aantal andere kinderen door Gerard en Jaap Musch van de NV verzetsgroep naar Blerick gebracht.

Hengelo

Kort daarna, op 5 december 1943, wordt Roosje met 4 andere meisjes naar Hengelo gebracht. ‘Ik moest de volgende dag naar Nijverdal, als enige, de andere vier meisjes bleven in Hengelo. Er werd mij niets uitgelegd, zo ging dat nou eenmaal. Maar ik vond het vreselijk, nu kende ik niemand meer.

Parallelweg 11 Nijverdal

Op 6 december werd Roosje ondergebracht in Nijverdal bij de 68-jarige, streng gereformeerde mevrouw Krommedijk. Ze woonde er samen met haar nicht Janna en haar zestienjarige pleegdochter Johanna, bij wie Roosje op de kamer sliep.

‘Op de gereformeerde school van het het dorp, waar ik naartoe ging, werd ik voorgesteld als Rosien van Vliet, de schuilnaam die mevrouw Krommedijk voor mij bedacht had.’
Op een dag was er een incident. Roosje kwam tussen de middag altijd thuis om te lunchen. Een keer hadden de dames een boterham met vis voor me klaargezet.
“‘Bokking,’ zei mevrouw Krommedijk.
Nadat ik een hap van die boterham had genomen, vroeg ze: ‘Is dat niet lekker? Dat is nou paling.’
Ik werd onmiddellijk misselijk, rende naar de wc en alles kwam eruit.’”
Na verloop van enkele weken kwamen ook de vier andere Joodse meisjes naar Nijverdal. Samen met de oprichter van de Naamloze Vennootschap, Jaap Musch, verbleven zij in een van de twee landhuisjes die aan de rand van het dorp lagen. Roosje ging geregeld bij hen op bezoek.
‘Als ik naar het huisje ging, nam ik vaak eten mee van mevrouw Krommedijk. Brood en andere levensmiddelen kregen we van bakkerszoon Herman Flim, die in de oorlog voor meer dan zeventig Joodse kinderen heeft gezorgd, onder wie Ed van Thijn, de latere burgemeester van Amsterdam’.

Lemelerveld

In september ’44 werd in Nijverdal een auto gestolen. Toen leden van de Nederlandse Landwacht, in de buurt van het huisje een vat petroleum vonden, deden ze een inval in het huisje. De Joodse meisjes zagen de politie aankomen en vluchtten ongezien het bos in. Jaap Musch bleef, hij had niets met de diefstal van doen, en dacht dat vluchten hem alleen maar verdacht zou maken.
Jaap Musch werd meegenomen. Herman Flim heeft die meisjes later die avond teruggevonden. Jaap Musch keerde niet terug. ‘Omdat we niet wisten of Jaap door zou slaan tijdens de martelingen, werden wij onmiddellijk ergens anders ondergebracht. Ik werd samen met een van de andere meisjes overgeplaatst naar een boer in Lemelerveld. Herman kwam geregeld langs om te vertellen wat hij te weten was gekomen over Jaap. Hij was nu onze vertrouwensfiguur’

Julianastraat 14 Nijverdal

Daarna kwam Roosje bij de familie Hazebroek, ook een doorgangshuis. ‘Op een ochtend ging het luchtalarm, en moesten wij snel naar de schuilkelder achter het huis. Dat lukte mevrouw Hazebroek niet, zij was invalide. Omdat zij hulp nodig had, vergezelde ik haar. Er vielen drie bommen, een achter het huis, een voor, en een op het huis, die zo’n drie meter bij mij vandaan terechtkwam, maar niet ontplofte. Mevrouw Hazebroek zat onder de glasscherven, ik had niks, helemaal niks.’
Tijdelijk wordt Roosje met de familie Hazebroek halsoverkop ondergebracht in een villa van iemand van de spoorwegen.

Hulsen

Toen het hele huis door de Duitsers werd gevorderd, moesten ze daar weg en werden ze geëvacueerd naar Hulsen, een dorp op de grens van Twente en Salland. Daar kregen ze een zogenaamd ‘kookhuisje’ aangewezen, een soort schuur, waar in de zomer door de boeren gekookt werd. ‘Ik sliep in een tweepersoonsbed met die oude mevrouw Hazebroek. Er sliepen ook twee dochters van de boer. Toen ik een keer hard op ons bed sprong, zakte ik er doorheen. Daarna moest ik in mijn eentje in de stal slapen; de koeien stonden aan mijn voeten en de varkens en de wc-ton stonden naast me. Het was heel smerig en het stonk verschrikkelijk.’

Julianastraat 14 Nijverdal

Toen het huis van Hazebroek in Nijverdal hersteld was, gingen ze terug.
Niet veel later kwamen de Canadezen. Op 5 mei danste iedereen op straat en ik herinner me één jongen die steeds maar met mij wilde dansen. Ik zag er vreselijk uit, had rare kleren, mijn haar zat vreselijk, ik was ongezond en dik van de verkeerde voeding dus ik snapte daar niks van. Wat moest er nu met mij gebeuren? Ik had niemand meer.

Kampen

Uiteindelijk komt Roosje bij een oom terecht in Kampen, die Auschwitz overleefde. ‘Op de voordeur stond Colthof. Dat vond ik fijn want het was voor het eerst dat ik mijn eigen naam op een deur zag staan. Bij mijn moeder, voor de oorlog, was dat niet het geval. En tijdens de onderduik al helemaal niet. Alsof ik nu pas een eigen naam kreeg.’